Nu veel spelers weer in eco modus zitten. Kunnen we eens kijken naar de economie uit de 17e eeuw.
Nederland had letterlijk de wind in de zeilen.
De Oostzeehandel vormde in de Gouden Eeuw de basis voor de welvaart van de Republiek. Deze handel was van cruciaal belang, zo constateerden ook tijdgenoten. Daarom spraken zij over de Oostzeehandel als de ‘moedernegotie’. Moedernegotie betekent letterlijk: de moeder van alle handel (negotie), de belangrijkste handel in die tijd.
De Oostzeehandel was belangrijker voor de welvaartsgroei in de Nederlanden dan de VOC of WIC. Sterker nog: deze handel bracht Amsterdam de rijkdom die nodig was om de VOC te kunnen oprichten, schepen te kunnen bouwen en flinke winsten te kunnen maken.
De Oostzeehandel vormde dus het absolute fundament van de Nederlandse economie en was in de 17e eeuw vele malen groter en belangrijker dan de handel met Azië (de VOC). Hoewel er voor de 17e eeuw geen exacte macro-economische percentages bestaan zoals we die nu kennen (zoals het BBP), laten historische scheepvaartcijfers en economische data de enorme omvang duidelijk zien.
Hoewel de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie) tegenwoordig het bekendste symbool is van de Nederlandse Gouden Eeuw, was de Oostzeehandel economisch gezien vele malen groter en belangrijker voor de binnenlandse economie. Historici schatten dat de VOC in haar hoogtijdagen verantwoordelijk was voor zo'n 20% van de totale Nederlandse scheepstonnage, terwijl de Europese handel (met de Oostzeehandel als absolute spil) de overige 80% domineerde.
In de economische driehoek van de Gouden Eeuw nam de West-Indische Compagnie (WIC) een totaal andere positie in dan de Oostzeehandel en de VOC. Waar de Oostzeehandel de stabiele motor was en de VOC een winstgevende handelsonderneming, werd de WIC in de 17e eeuw primair opgericht als een militair en geopolitiek wapen tegen Spanje.
Pas later verschoof de focus van de WIC naar de trans-Atlantische driehoekshandel en de slavenhandel, wat een diepe, gitzwarte impact achterliet, maar economisch gezien vaak minder stabiel en minder winstgevend was dan de andere twee handelsstromen.