De burgers hebben eindelijk weer iets te vieren. Na een lange en uitputtende trektocht zijn ze, nog voordat hun reis ten einde is gekomen, verlost van de laatste wolf. Voor het eerst in lange tijd lijkt het gevaar geweken. Geen nachtelijke kreten meer vanuit het bos, geen angstige blikken over de schouder en geen twijfel meer over wie er de volgende ochtend nog naast het kampvuur zal zitten.
Maar nu de wolven verdwenen zijn, blijft er een andere vraag over: waar moeten ze eigenlijk naartoe?
P&P kenden de weg, maar helaas zijn zij niet langer onder hen. Zonder gids, zonder duidelijk einddoel en met weinig meer dan hun bezittingen op hun rug trekt de groep verder door de uitgestrekte wildernis. Dagen gaan voorbij, de wegen worden smaller en de bewoonde wereld lijkt met iedere stap verder achter hen te verdwijnen.
Tot ze op een avond, vermoeid en doorweekt, aankomen in een klein dorpje dat ergens diep in de wildernis verscholen ligt.
In de plaatselijke kroeg, waar de geur van oud hout, natte wol en goedkoop bier in de lucht hangt, vangen ze een merkwaardig verhaal op. Een verhaal over een verlaten kermis, een vervallen klooster en een plek waar de tijd zelf lijkt te hebben stilgestaan.
Ver buiten het dorp, verscholen tussen oude bomen en overwoekerde paden, zou een verlaten kermistrein staan. Ooit stond daar het klooster van de Fraternitas Secretorum: het Broederschap der Geheimen. Een geheimzinnige sekte die zich bezighield met alles wat volgens haar niet van deze wereld was. Buitenaardse verschijnselen, duistere magie, verboden rituelen en oude krachten waar een mens zich beter niet mee kon bemoeien.
De kloosterlingen zouden jarenlang onderzoek hebben gedaan naar verschijnselen die niemand anders durfde te verklaren. Sommigen beweerden dat ze contact probeerden te leggen met wezens uit andere werelden. Anderen fluisterden dat het broederschap niet op zoek was naar kennis, maar naar iets wat al eeuwenlang begraven lag.
Wat er werkelijk binnen die kloostermuren gebeurde, weet niemand.
Want op een koude, donkere oktoberavond, bij volle maan, sloeg het noodlot toe.
Het hele klooster ging in vlammen op.
Volgens het officiële onderzoek was een blikseminslag de oorzaak van de brand. Een merkwaardige conclusie, aangezien er die nacht geen regen was gevallen, laat staan dat er sprake was geweest van onweer. Toch werd het onderzoek afgesloten en werden de ruïnes aan de tand des tijds overgelaten.
De dorpsbewoners geloofden er echter niets van.
Volgens het oudste verhaal was het klooster gebouwd op een eeuwenoude grafheuvel. Een rustplaats die al bestond lang voordat de eerste steen van het klooster werd gelegd. De kloosterlingen zouden de graven hebben geschonden en iets hebben gewekt wat beter met rust gelaten had kunnen worden.
En toen de volle maan boven de heuvel verscheen, zouden de doden hun rustplaats hebben opgeëist.
Sindsdien werd de plek gemeden. Vee dat te dicht bij de ruïnes graasde, verdween spoorloos. Reizigers beweerden stemmen te horen tussen de bomen, terwijl anderen 's nachts lichtjes zagen dansen achter de kapotte kloosterramen. En soms, op windstille nachten, zou er vanuit de heuvel een klok klinken.
Een klok die al eeuwen geleden was gesmolten in de vlammen.
Ruim een eeuw later besloot een rijke man uit de grote stad dat het tijd was om korte metten te maken met deze verhalen. Hij kocht de grond voor een spotprijs, lachte om de angst van de plaatselijke bevolking en verklaarde dat hij van de vervallen ruïnes een plek zou maken waar iedereen zich kon vermaken.
Een kermis.
Met draaimolens, schiettenten, kraampjes, een reuzenrad en een indrukwekkende achtbaan zou hij bewijzen dat de plek niets meer was dan een vergeten stuk land, geteisterd door bijgeloof en dorpspraatjes.
Om zijn minachting voor de verhalen nog eens goed duidelijk te maken, organiseerde hij een grootse opening op vrijdag 13 oktober 1590. Belangrijke gasten uit de stad werden uitgenodigd, tafels werden volgeladen met eten en drinken en de feestelijkheden zouden tot diep in de nacht doorgaan.
Het weer was die week al onheilspellend geweest. Zware wolken hadden zich boven het landschap samengepakt en de wind gierde onafgebroken door de bomen. Volgens de dorpelingen was het een waarschuwing. De geesten zouden niet dulden dat hun rust opnieuw werd verstoord.
Maar de rijke man liet zich niet tegenhouden.
De opening verliep aanvankelijk zonder problemen. Er werd gelachen, gedronken en gedanst. De attracties draaiden, de muziek klonk over het terrein en de gasten leken de verhalen over het vervloekte klooster alweer vergeten.
Tot het middernacht werd.
De kerkklok in het dorp begon twaalf uur te slaan. Maar nog voordat de laatste slag was weggestorven, verscheen er aan de horizon een fel, onnatuurlijk licht. Het verlichtte de wolken van onderaf en kleurde het landschap in een vreemde, bleke gloed. Enkele dorpelingen die naar buiten waren gekomen, beweerden dat ze boven de kermis iets hadden zien bewegen.
Iets wat niet op een vogel leek.
Daarna werd het stil.
Geen muziek meer. Geen geschreeuw van de attracties. Geen gelach of stemmen die over het terrein galmden.
Alleen de wind bleef over.
De volgende ochtend durfde niemand het terrein te betreden. Pas toen enkele mannen uit het dorp met fakkels en wapens op onderzoek uitgingen, ontdekten ze wat er was achtergebleven.
De kermis stond er nog.
De attracties waren intact, de kraampjes stonden op hun plaats en op sommige tafels lagen nog halflege bekers en onaangeroerde borden. Het leek alsof iedereen midden in een feest plotseling was opgestaan en verdwenen.
Maar er was geen enkel spoor van de gasten, de kermislui of de rijke eigenaar.
Geen lichamen. Geen voetafdrukken die het terrein verlieten. Geen bloedsporen of aanwijzingen voor een gevecht.
Niets.
Alsof de hele kermisbevolking in één nacht van de aardbodem was verdwenen.
De autoriteiten stuurden onderzoeksteams, maar ook zij konden geen verklaring vinden. Uiteindelijk werd het terrein verlaten en raakten de verhalen opnieuw in vergetelheid. De kermis bleef achter als een stille verzameling roestige attracties en vervallen kraampjes, opgeslokt door het bos.
Tot op de dag van vandaag beweert men dat er op bepaalde nachten licht brandt in de oude spookhuistent. Dat het reuzenrad soms uit zichzelf begint te draaien. En dat je, wanneer je goed luistert, ergens tussen de bomen de tonen van een oude kermismelodie kunt horen.
Een melodie die steeds dichterbij komt.
Wanneer de groep reizigers het verhaal in de dorpskroeg hoort, wordt er aanvankelijk gelachen om de oude volksverhalen. Na alles wat ze hebben meegemaakt, lijkt een verlaten kermis een uitstekende plek om een paar dagen tot rust te komen. Misschien vinden ze er zelfs iets waarmee ze hun weg terug naar Wakkerdam kunnen bepalen.
En wie weet ligt er tussen de oude gebouwen en vergeten bezittingen wel een antwoord op een vraag die hen al veel langer bezighoudt.
Want waar kwamen de weerwolven eigenlijk vandaan?
Voor zover iemand zich kan herinneren, waren ze er op een dag gewoon ineens. Geen waarschuwing, geen verklaring en geen spoor van hun oorsprong. Alleen de dood, de angst en een dorp dat langzaam ten onder ging aan wantrouwen.
Misschien houdt deze verlaten plek antwoorden verborgen die niemand ooit had mogen vinden.
Misschien is het slechts een verzameling oude verhalen, bedoeld om kinderen bang te maken.
Of misschien is er een reden waarom niemand ooit van de kermis is teruggekeerd.
De groep besluit verder te trekken naar de ruïnes. Ze zijn immers al aan zoveel gevaren ontsnapt; hoe gevaarlijk kan een verlaten kermis nu werkelijk zijn?
Maar terwijl de reizigers hun kamp opslaan tussen de roestige attracties en de overwoekerde kraampjes, trekt boven hen een volle maan langzaam achter de wolken vandaan.
Ergens in de verte klinkt een bel.
Een draaimolen begint zachtjes te spelen.
En diep onder de oude grafheuvel lijkt iets wakker te worden.